Visie

Het onderwijs op O.B.S. De Pionier is gericht op de optimale ontwikkeling van elk individueel kind.

Kernwoorden daarbij zijn: goed pedagogisch klimaat
  zelfvertrouwen
  zelfstandigheid
  individuele aandacht

Wij denken dit het beste te bereiken door alle kinderen optimaal te begeleiden: onderwijs op maat d.m.v. adaptief onderwijs.

Belangrijke aandachtspunten:

  1. een goed pedagogisch klimaat
    Kinderen moeten zich op De Pionier geborgen voelen. Alle leerkrachten proberen steeds positieve aandacht te geven aan leerlingen. Correctie gebeurt op gedrag niet op persoon.
    De leerkrachten bevorderen dat alle leerlingen zich veilig en aanvaard voelen.
  2. zelfvertrouwen
    De leerkrachten op De Pionier willen het zelfvertrouwen van alle leerlingen versterken! Wij laten merken dat wij vertrouwen hebben in onze leerlingen en schatten hun mogelijkheden hoog in. Daarmee laten we kinderen het gevoel van succes ervaren.
  3. zelfstandigheid
    De leerkrachten van De Pionier willen bij alle leerlingen de zelfstandigheid en het nemen van eigen verantwoordelijkheid bevorderen. Zo wordt er gewerkt met een dagtaak en vanaf groep vijf wordt er gewerkt met een weektaak.
  4. Individuele aandacht
    Wij gaan adequaat met doelen om en hanteren een goed leerlingvolgsysteem.
    Niet alle kinderen hebben dezelfde mogelijkheden. Kinderen kunnen dus niet allemaal hetzelfde bereiken. We hebben op De Pionier duidelijke afspraken gemaakt hoe we kinderen extra hulp geven en waaruit die hulp bestaat. Zo blijven we steeds op de hoogte van de vorderingen van onze kinderen d.m.v. de leerling bespreking, methodegebonden toetsen en het cito-leerlingvolgsysteem.

Het bovenstaande komt tot uitdrukking in onze onderwijs opvatting.
In alle groepen staan de drie basisbehoeften, zoals geformuleerd in het adaptief onderwijs centraal. Deze basis-behoeften zijn autonomie, competentie en relatie.

Op deze wijze bevorderen we de zelfstandigheid (autonomie) van het kind en zorgen we ervoor dat elk kind zich in zijn eigentempo en naar eigen kunnen (competentie) optimaal kan ontwikkelen. Hierbij zijn de basislesstof en kerndoelen met behulp van moderne methoden steeds het uitgangspunt.

Goed onderwijs op De Pionier.
Vaak is het zo dat de visie een stuk tekst of een kreet is, waarvan de achterliggende betekenis wel in grote lijnen duidelijk is, maar waarbij de precieze missie niet tot uiting komt.
Hoe ziet u de visie nu in ons onderwijs terugkomen. Wat is de missie van de school.

Essentieel in ons onderwijs is dat niet de leerstof (methode) maar het kind centraal staat.
Er wordt daarom uitgegaan van de leer- en ervaringsbehoeften van het kind, d.w.z aangepast aan hetgeen kinderen al kunnen en kennen en aan hun belangstelling.
Ieder kind moet zich zo optimaal mogelijk kunnen ontwikkelen. De leerkracht gaat dus flexibel en doordacht om met de leerstof en vraagt zich af wat essentieel voor welk kind is. Het gaat hierbij om kwaliteit en niet om kwantiteit. De leerkracht heeft voor zijn/haar lessen en/of instructie groep een concreet doel voor ogen. Er wordt duidelijk gemaakt wat er van de kinderen verwacht wordt. Voor een optimale ontwikkeling van de kinderen is het belangrijk dat de leerkracht hierbij hoge verwachtingen heeft en positieve verwachtingen uitspreekt. De leerkracht gaat aan het eind van de les na of hij/zij de doel(en) bereikt heeft. Een duidelijke door de kinderen en de leerkracht gevoerde administratie is daarbij een belangrijk hulpmiddel.
Om het boven genoemde in de praktijk voor de leerkracht uitvoerbaar en overzichtelijk te houden maken we gebruik van moderne methodes. In eerste instantie werken alle kinderen aan het gewone lesprogramma, maar binnen dit programma vindt differentiatie plaats naar behoefte van het kind. Het lespakket moet daarom voor sommige kinderen worden aangepast. Zo kan het zijn dat zwakkere leerlingen met een ander programma werken, langzamere kinderen minder stof hoeven te maken en begaafdere kinderen middels compacting minder hoeven te doen van de basisstof en daarnaast extra uitdagende stof maken.
Het is dus aan de leerkracht om de kinderen gericht te volgen en in hun behoefte te voorzien. In de praktijk is het zo dat dag en weektaak voor kinderen in een groep kunnen verschillen.

Bij de voorbereiding van de lessen is niet alleen de klassikale uitleg, zoals vaak door de methode beschreven is, belangrijk. Daarnaast vraagt de leerkracht zich af welk stuk van de uitleg is belangrijk voor welk kind. Omdat er op verschillende niveaus gewerkt wordt, is de klassikale instructie kort. Hierna gaan de kinderen zelfstandig aan het werk en loopt de leerkracht via een vast patroon (het service rondje) door de klas om te zien of elk kind de opdracht begrepen heeft en geeft hierbij ieder kind positieve aandacht. In de onderbouw wordt dit rondje vaker herhaald dan in de bovenbouw. Door deze werkvorm houdt de leerkracht (meer) tijd over voor de verlengde of andersoortige instructie aan de instructietafel.
Belangrijk hierbij is dat de kinderen leren hoe ze zelfstandig moeten werken en dat ze verantwoordelijkheid leren nemen voor eigen werk. Dit (nieuwe) gedrag kan alleen worden geleerd door het gewenste gedrag te bekrachtigen en het zelfbeeld van de kinderen te versterken.
Zo moeten kinderen leren niet meteen de oplossing bij de leerkracht te zoeken, maar eerst zelf een oplossing te bedenken of bij een ander kind om uitleg vragen. Lukt dit niet dan moeten ze het werk even parkeren en met ander werk uit de dag/weektaak verder gaan, totdat de leerkracht langs komt.
Het gemaakte werk wordt zoveel mogelijk zelf nagekeken door de kinderen, waarna het door de leerkracht (steekproefsgewijs) gecontroleerd wordt. Door corrigerend op te treden wordt het gewenste nakijkgedrag bevorderd. Als de pakkans, bij het niet goed corrigeren en het niet nemen van eigen verantwoordelijkheid groot is leert het kind ongewenst gedrag af. D.m.v. de methodegebonden toetsen (door de leerkracht gecorrigeerd) en het leerlingvolgsysteem blijven we de kinderen optimaal volgen.

Door deze werkvorm zal er veel verschil in tempo in de groep voorkomen. Sommige kinderen zullen eerder klaar zijn met hun dag/weektaak dan andere kinderen. Voor deze kinderen is er uitdagend extra werk in de klas aanwezig zijn. Bij extra werk denken we aan ontdekdozen/ internet/ software/ leerzame spelletjes/ etc.. Voor kinderen die structureel eerder klaar zijn met hun dag/weektaak heeft de weektaak meer inhoud d.m.v uitdagende opdrachten.

De relatie tussen leerlingen onderling en die tussen leerkracht en leerling neemt ook een belangrijke plaats in in ons onderwijs en is van essentieel belang om de hierboven beschreven werkvorm te laten slagen. Zo moeten we er voor zorgdragen dat de kinderen van elkaar leren, dat ze kunnen meedenken en beslissen, ze verantwoordelijkheid en ruimte voor eigen inbreng geven.

Onderzoek wijst uit dat zelfvertrouwen een sleutelfactor is in het voorkomen van ongewenst gedrag. Kinderen die denken dat ze niets kunnen of niets waard zijn, gaan zich ook zo gedragen en zullen weinig ondernemen. Als ze niets ondernemen is er ook weinig kans dat dingen lukken en raken ze er steeds meer van overtuigd dat ze niets waard zijn. Het onbevredigende gevoel dat ze krijgen kan een uitweg zoeken in ongewenst gedrag als pesten, stelen of vernielzucht. Om dit te voorkomen is het belangrijk dat kinderen een goed beeld van zichzelf krijgen en weten waar ze goed in zijn. De personen die de meeste invloed uitoefenen op het zelfbeeld van een kind zijn de ouders, mensen thuis, leraren en met het ouder worden steeds meer ook leeftijdgenoten.

-- oOo --

Visie
 Visie & Hoofdlijnen > Visie Methoden Zorgplan Computers